PDA

Bekijk Volledige Versie : De curieuze hang naar nieuwe dogma's



Column van de week
28-04-05, 07:35
De curieuze hang naar nieuwe dogma’s

NRC, 27042005

In ons land is vaak sprake van collectieve politieke bekeringen, betoogt James Kennedy. Het verlangen naar consensus staat debat in de weg en daarbij komt geheugenverlies goed uit.

Dat in de jaren zestig een culturele omwenteling plaatsvond in Nederland is algemeen bekend. Achteraf bezien lijkt dit land binnen korte tijd te zijn veranderd van een conservatief, burgerlijk en christelijk land in een progressief, kritisch en seculier land. Binnen het tijdsbestek van enkele jaren werd Nederland ontvankelijk voor progressieve politiek, kwam een hedonistische houding ten opzichte van het leven op en klonk er voortdurend kritiek op de conventionele, christelijke en burgerlijke moraliteit.

De snelle overgang van de ene wereld naar de andere gaf veel mensen de indruk dat het verleden — waarin de één gelukkiger was geweest dan de ander — definitief voorbij was. Die wereld had geen zeggingskracht meer — die was ‘niet meer van deze tijd’.

De katholieke zuil is hiervan het sterkste voorbeeld. Tegen het einde van de jaren zestig was het voor veel katholieken onvoorstelbaar dat zij een decennium eerder steevast op katholieke partijen stemden en in het bestaan van de hel geloofden.

De rest van de wereld keek vol verbazing naar those Dutch Catholics, die zich zo plotseling en zo massaal bekeerden van trouwe aanhangers van Rome tot de enfants terribles van het westerse christendom.

Andere groeperingen in Nederland maakten eenzelfde bekering door. Wat vroeger niet mocht, kon nu ineens wel. En diegenen die vroeger toezicht hielden en de oude waarden verdedigden, stonden erbij en keken ernaar, en werden steeds toegeeflijker. De veranderingen leken onvermijdelijk.

Omdat de publieke retoriek het moderne leven zo verheerlijkte en zich zo afzette tegen het ouderwetse verleden, leken veel Nederlanders nauwelijks meer in staat om zich te herinneren wat zij vroeger eigenlijk geloofden.

De afgelopen jaren lijkt een dergelijke omwenteling zich opnieuw te hebben voorgedaan in de Nederlandse samenleving. Een zelfverzekerde, zelfbewuste, tolerante en multiculturele samenleving met weinig interesse in openlijke morele of historische reflectie, is getransformeerd in een onzekere maatschappij met behoefte aan duidelijkheid, handhaving en morele waakzaamheid. Het is misschien het omgekeerde van wat in de jaren zestig gebeurde; toen werd conservatief gedachtegoed verworpen en nu wordt het (in beperkte mate) omarmd. Het is niet zo lang geleden dat de dominante politieke cultuur in Nederland zich verbonden leek te hebben met de multiculturele samenleving, waarin migranten van alle achtergronden met behoud van de eigen culturele en religieuze identiteit werden verwelkomd in de Nederlandse samenleving. Tot het eind van de jaren negentig was het mogelijk om verwerpelijke excessen (zoals vrouwenbesnijdenis) te bekritiseren, maar het uiten van openlijke afschuw of algemene angst voor migrantengroeperingen en hun religies was niet toegestaan in de consensuscultuur. Stap voor stap kwamen er barsten in het beeld, en in het culturele klimaat dat ontstond na 9/11 en zeker na twee moorden, wordt de Nederlandse cultuur op een voetstuk geplaatst en is ook de multiculturele samenleving niet langer van deze tijd, in een samenleving waarin angst voor islamitisch extremisme de status heeft gekregen van een nationale waarde.

Wat mij in beide gevallen het meest fascineert, is niet de inhoud van de publieke opinie tijdens deze culturele transformaties, maar het feit dat in beide perioden sprake is van een beslissende, collectieve breuk met het verleden, waarin zelfbewuste verdedigers van het ancien régime moeilijk te vinden zijn en de nieuwe dogma’s met missionair clan worden verkondigd.

Dit opmerkelijke gedrag kan grotendeels worden gezien als een neveneffect van de Nederlandse consensuscultuur, waarin overeenstemming over de algemene richting van de maatschappij als uiterst belangrijk geldt. Als een bepaalde consensus tot stand is gekomen in Nederland, is het erg moeilijk om kritiek te leveren; mensen zijn niet langer echt geïnteresseerd in filosofische discussies over de grondslagen en de dieper liggende kwesties die nu door de consensus beslecht zijn. Deze algehele overeenstemming moedigt de discussie ook niet aan. Volgens mij is dat de reden waarom buitenlandse waarnemers de ‘normale’ Nederlandse politieke discussies saai en oppervlakkig vinden. In rustige tijden gaat de politieke discussie niet over grote kwesties, maar over het regelen van de details om de consensus te verfijnen.

Maar geen consensus heeft het eeuwige leven, en na verloop van tijd erodeert zij door knagende twijfel en dramatische veranderingen.

Het gefluister dat de keizer geen kleren aan heeft, zwelt aan en gaat vrijwel altijd gepaard met grote sociale veranderingen in eigen land of daarbuiten. Eerst is de consensus nog sterk genoeg om de kritiek het hoofd te bieden, maar na verloop van tijd breken gebeurtenissen en persoonlijkheden haar. Wat de modus vivendi was, wordt nu veroordeeld als ontoereikend en zelfs moreel ontoelaatbaar.

De ineenstorting heeft vaak een louterende kwaliteit: veel mensen hebben het gevoel dat ze eindelijk hun ei kwijt kunnen nu hun overtuigingen ‘bespreekbaar’ zijn gemaakt; dat de schellen hun van de ogen zijn gevallen nu het zwijgen is doorbroken. Soms lijkt Nederland op de Griekse stadstaat Thebe, naar Euripides, die te Apollinisch was geworden en werd overgegeven aan Dionysische instincten.

En de beschermers van de oude orde, verrast door de felheid van de tegenreactie, gooien prompt hun oude principes overboord en omarmen de nieuwe ideeën. Niet zonder eigen inbreng natuurlijk, want Nederlandse elites matigen alles wat zij aanraken. Maar ‘door de bocht’ gaan ze toch.

In sommige landen zouden deze inconsistente overtuigingen tegen hen worden gebruikt — in elk geval door hun politieke opponenten — maar in het land waar besturen vooruitzien is, en waar de uit het lood geslagen politieke cultuur naarstig streeft naar het opbouwen van een nieuwe consensus, wordt van politieke leiders niet verwacht dat zij consistent zijn of dat zij vasthouden aan de politieke inzichten die zij het in verleden verkondigden.

Door de tegenwoordige crisis en het tegenwoordige tijdsgewricht wordt het verleden irrelevant en komt geheugenverlies goed uit.

Dat is in elk geval hoe ik het naoorlogse Nederland bekijk: tamelijk lange perioden van saaie consensus, gevolgd door een instabiele periode waarin de oude overeenstemming uiteenvalt en waarin wordt afgerekend met de oude manier van denken en doen.
Misschien zijn plotselinge, radicale en massale bekeringen en enorme paradigmaverschuivingen een min of meer voorspelbaar resultaat van een politieke cultuur waarin het verlangen naar consensus het continue debat in de weg staat. In een dergelijke cultuur worden tegengestelde visies niet tegen elkaar uitgespeeld, maar volgen ze elkaar op.

Er kleven wel nadelen aan deze collectieve radicale breuken met het verleden. De wijsheid die in decennia eerder is opgebouwd in de omgang met een variëteit aan sociale en politieke problemen, wordt ogenblikkelijk van tafel geschoven als een nieuwe benadering zich aandient, onbezoedeld door de fouten van het verleden. Op zo’n manier wordt het kind met het badwater weggegooid. Zoals het kortzichtig was om na de omslag in de jaren zestig veel van de rijke inzichten van de traditionelere cultuur overboord te gooien, is het nu niet verstandig om de rationele en tolerante tradities van de laatste decennia — die nu zo ver weg lijken — volledig opzij te schuiven.

James Kennedy, Amerikaan, is hoogleraar Nieuwste geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Dit is een hoofdstuk uit de bundel ‘Nederland op scherp. Buitenlandse beschouwingen over een stuurloos land’, die volgende week verschijnt