PDA

Bekijk Volledige Versie : [B]Het Bedrog van de Selefī Sekte[/B]



El Abd DESAMMA
30-12-06, 21:45
Het Bedrog van de Selefī Sekte

Majlis al-`Ulemā van Zuid-Afrika

Wanneer iemand zich vandaag de dag wenst te bevrijden van de bepalingen van de Sharī`ah en de Sunnah, is de oplossing voor hem om een zogenaamde selefī te worden. Zodra hij zich aansluit bij deze afwijkende selefī sekte, is hij vrij om zich te kunnen uitdrukken in zijn zelfzuchtige meningen. Om onbehoedzame en onwetende Moslims in haar armen van dwaling en valsheid te sluiten, plegen de modernistische selefīs op grote schaal bedrog. In dit artikel zullen wij slechts één van de manieren waarop dit bedrog zich manifesteert bespreken. Het gaat hierbij om hun misinterpretatie van de uitspraak van de Imāms:

“Als de Hadīth authentiek is, dan is het mijn Madhhab”

Een opvallend kenmerk van deze sekte is haar verwerping van de madhhabs (rechtsscholen) van de salaf al-salihūn (rechtgeleide voorgangers). Ondanks hun verwerping van deze madhhabs van de waarheid omhelst door de rechtgeleide voorgangers, proberen deze selefīs de onbehoedzame en onwetende Moslims te verwarren door opzichtige beweringen te doen over hun “liefde” en “respect” voor de `ulemā (geleerden) en fuqahā (juristen). De massa is onwetend. Het ontbreekt hen vaak aan de juiste kennis om de verklaringen van de juristen, die deze selefīs selectief aanhalen om hun onbetrouwbare argumenten kracht bij te zetten, te verifiëren en correct te begrijpen. Laten we een voorbeeld nemen van het bedrog dat zij gebruiken om de onbehoedzame Moslims te misleiden.



Taqlīd



Terwijl zij taqlīd (het navolgen) openlijk afkeuren, er spottend over spreken en de muqallids (navolgers) die de geleerden en juristen van de salaf navolgen afschilderen als “blinde volgelingen”, citeren deze selefīs de grootste rechtsgeleerden van de salaf om hun overtuiging van het verwerpen van taqlīd te ondersteunen en zodoende hun begeerte blindelings te kunnen volgen. Om hun overtuigingen te beargumenteren halen ze de bekende uitspraken van de rechtsgeleerden en mujtahid (onafhankelijke) Imāms van de rechtgeleide voorgangers aan, zoals de uitspraken van Imām Shāfi`ī:



“Als je in mijn boek iets vindt dat verschilt met de Sunnah van de Boodschapper van Allāh

(Allāh zegene hem en geve hem vrede) spreek dan op basis van de Boodschapper van Allāh

(Allāh zegene hem en geve hem vrede) en laat achterwege wat ik heb gezegd.



“Wanneer de Hadīth die authentiek wordt bevonden in tegenstelling is tot mijn oordeel,

handel dan in overeenstemming met de Hadīth en verlaat mijn oordeel.”



“Als de Hadīth authentiek wordt bevonden, dan is dat mijn Madhhab.”

Soortgelijke uitspraken zijn ook toegeschreven aan Imām Abū Hanīfa door Ibn `Abd al-Barr en Imām Sha`rāni. In Radd al-Mukhtār overlevert `Allāma Bārī uit de Sharā Hidāyah van Ibn Shunnah de volgende uitspraak van Imām Abū Hanifa:



“Als de Hadīth authentiek is, dan is dat mijn Madhhab.”





De authenticiteit van deze uitspraken wordt niet betwist. Echter, deze selefīs en evenmin hun publiek, begrijpen de betekenis van deze uitspraken niet. Het publiek dat niet geschoold is in de hogere kennis van de Sharī`ah neemt jammer genoeg vaak eenvoudigweg over wat door de sprekers van deze sekte gepropageerd wordt. De selefīs beweren de volgelingen te zijn van de salaf. In hun beschrijving van de salaf nemen zij, volledig terecht, de geleerden en juristen van de qurūn al-thalātha (de eerste drie glorierijke perioden van de Islām) op. Dit is het tijdperk van de sahābah (metgezellen), de tābi`īn (diegenen die hen volgden) en de tāb al-tābi`īn (diegenen die de tābi`īn volgden). De mujtahid Imāms, waaronder de vier beroemde Imāms van de vier madhhabs van de Ahl al-Sunnah wal Jamā`ah vallen, behoren allemaal tot de salaf. Terwijl deze selefīs iedere willekeurige leek proberen te overtuigen van hun uitbundige verwerping van taqlīd, op grond van de bovengenoemde uitdrukkingen die toegeschreven worden aan de grote Imāms, beweren de grote geleerden die deze vier grote Imāms van de ijtihād volgen met klem het tegenovergestelde. In zijn commentaar op deze uitdrukkingen, zegt Imām Nawawī:



“Dat wat Imām Shāfi`ī heeft gezegd betekent niet dat iedereen die een authentieke Hadīth ziet moet zeggen: ‘Dit is de madhhab van Shafi`ī’, aldus handelende naar de zāhir (uiterlijke of schijnbare betekenis) van de Hadīth. Dit geldt wel degelijk alleen voor een persoon die de positie van ijtihād (onafhankelijke redenering) in de madhhab heeft bereikt. Het is een voorwaarde dat hij geheel en al gelooft dat Imām Shafi`ī zich niet bewust was van deze Hadīth of dat hij zich niet bewust was van de authenticiteit ervan. En dit is slechts mogelijk na alle boeken van Shafi`ī onderzocht te hebben en soortgelijke boeken van de metgezellen van Shafi`ī, degenen die [kennis] van hem namen en andere soortgelijke . Dit is inderdaad een moeilijke voorwaarde [om aan te voldoen]. Er zijn slechts enkelen die hieraan voldoen.

Wat we hebben uitgelegd is conditioneel gemaakt omdat Imām Shafi`ī ervan afzag te handelen op basis van de zāhir [tekst] van de vele Hadīths die hij kende en had gezien. Er werd door hem echter bewijs vastgesteld voor kritiek op de Hadīth over zijn opheffing, zijn specifieke omstandigheid, zijn uitleg etc.

[vandaar dat hij genoodzaakt was bepaalde Hadīths terzijde te schuiven].”


(Zafar Ahmad Uthmāni, I`lā al-Sunan vol.2 p.225)



Sheikh Abū `Amr zei:

[B]“Het is niet gemakkelijk om te handelen overeenstemming met de zāhir tekst op grond van wat Imām Shafi`ī zei.

Het is (zelfs) niet toegestaan voor iedere rechtsgeleerde om zelfstandig naar datgene te handelen, wat hij bewijs afkomstig van de Hadīth meent te zijn.”

(Zafar Ahmad Uthmāni, I`lā al-Sunan vol.2 p.225)

De Hadīthgeleerde Zafar Ahmad Uthmāni voegt hieraan toe:



“Imam Sha`rāni heeft het [de uitspraak: ‘wanneer een Hadīth authentiek is, dan is het mijn madhhab’] ook overgeleverd, en schreef het toe aan de vier Imāms. Het is niet verscholen [van het verstand] dat dit voor degene is die de bekwaamheid [inzicht en kwalificaties] heeft in de teksten en de wetenschap van hun duidelijke regels en afschaffingen ervan.”


(Zafar Ahmad Uthmāni, I`lā al-Sunan vol.2 p 226)



Sheikh Yūsuf bin Ismā`īl al-Nabhānī zegt in zijn werk bij het bespreken van deze uitspraak:



“Waarlijk, de uitspraak: ‘wanneer de Hadīth authentiek is bevonden, dan is dat mijn madhhab’, is overgeleverd van ieder van deze vier Imāms die vrij van persoonlijke meningen waren. Het publiek aan wie deze uitspraak gericht was, waren zijn metgezellen [de rechtsgeleerden van zijn madhhab] die grote en beroemde Imāms waren en die volledig bevoegd waren in de rationele wetenschappen [van de dīn] en de wetenschappen [van de dīn] met betrekking tot de overlevering. [En de uitspraak is gericht aan] diegenen die na deze beroemde Imāms onder de grote geleerden van zijn madhhab kwamen, namelijk de
ahl al-tarjīh (een hoge categorie van rechtsgeleerden). Zij waren allemaal huffādh (behouders) van de Hadīth van de Boodschapper van Allāh (Allāh zegene hem en geve hem vrede) die volledig bewust waren van bewijzen van alle madhhabs. Zij zijn degenen aan wie de Imām [van de madhhab] zijn uitspraak, ‘wanneer de Hadīth authentiek is bevonden, dan is het mijn madhhab’, richtte. Waarlijk, zij [deze grote rechtsgeleerden] zijn in staat de Hadīth waarvan de Imām bewijs had afgeleid in overeenstemming te brengen met de meest recente Hadīth die authentiek werd bevonden na de Imām.

Zij kunnen zien welke van de twee Hadīths meer authentiek, sterker en welke van de twee Hadīths de latere is zodat de latere de nāsikh (afschaffer) is van de voorgaande.”

(Yūsuf bin Ismā`īl al-Nabhānī, Hujjatullāh `alā al-`Alamīn p.771)


Het zou nu absoluut helder moeten zijn voor iedere onbevooroordeelde en intelligente persoon dat de uitspraak, “wanneer de Hadīth authentiek is, dan is het mijn madhhab” gericht is aan een publiek van beroemde rechtsgeleerden die meesters en experts waren op het gebied van de ijtihād. Het is gericht aan diegenen die alle wetenschappen van de Sharī`ah beheersten, die huffādh van Hadīth waren, die experts waren in zowel de maqūl (overleverende) en `uqūl (rationele) takken van wetenschap, en die muqallids van [de ‘usūl al-fiqh van] hun Imāms waren. In het kort, het was aan diegenen gericht die geleerden en juristen van de hoogste rang waren, waarvan soortgelijke personen niet meer op aarde verschenen na hen, noch zullen verschijnen op de aarde tot aan de Dag des Oordeels, omdat die beroemde rechtsgeleerden een groep muhaqqiqs (onderzoekers) waren die Allāh (Hoog en verheven is Hij!) speciaal had geschapen om de Sharī`ah te formuleren en te systematiseren voor het nageslacht. Zij deden dit op een manier waardoor geen enkele dwalende er nog op kan hopen weg te komen met zijn valse verzinsels en zelfzuchtigheid. Terwijl de beroemde Imāms hun bevel richtten tot hun studenten, wat geleerden en juristen van de hoogste rang waren, richten deze onredelijke en afwijkende selefīs de uitspraken van de Imāms tot een publiek van onwetende mensen, die eerst nog bekwaam moeten worden in de grondbeginselen van de reinheid, het gebed, het vasten enz. Zelfs de grootste geleerde van vandaag de dag kan geen gebruik maken van de uitspraken van deze vooraanstaande Imāms, laat staan de talloze minder gekwalificeerde geleerden. De massa kan hierbij niet eens in beschouwing worden genomen. Wanneer we hier in deze context spreken van “minder gekwalificeerd” verwijzen we daarom zelfs naar de hedendaagse rechtgeleide geleerden wiens taak het is de Sharī`ah te waarborgen. Zelfs de hoog gekwalificeerde geleerden van deze eeuw zijn veel minder bekwaam dan de giganten en sterren van de Sharī`ah wetenschappen die het fundament hebben gelegd voor de Islāmitische kennis en vroomheid gedurende de eerste drie generaties. De periode om de beslissingen van de Imāms tegen de Hadīths af te wegen is allang voorbij. Het is eenvoudigweg onnozel voor éénieder in deze tijd om de kinderachtige notie aan te nemen, dat we de capaciteit bezitten om de oordelen van de Imāms van de ijtihād te wijzigen, aan te passen of te verwerpen. Iedere mogelijke wijziging van bepaalde beslissingen van de vier Imāms hebben vele eeuwen geleden al plaatsgevonden door hun vooraanstaande studenten en metgezellen. Deze afwijkende selefīs lijden daadwerkelijk aan de illusie van eigendunk en trots in hun geloof dat “onjuiste” fatwa’s van de Imāms onaangetast zijn gebleven in de afgelopen duizend jaar en dat pas in deze eeuw iemand als Sheikh al-Albānī [of één van de andere selefī geleerden uit de moderne tijd] de “eer” verkreeg om de “fouten” van de grote Imāms van de madhhabs te corrigeren.

De Richtlijn van de Imāms



Er is geen diepe wijsheid voor nodig om de reden te begrijpen voor de instructie van de Imāms aan hun metgezellen en studenten om hun beslissingen te herzien aan de hand van de standaard van de authentieke Hadīth. De Sharī`ah van de Islām is het product van de Openbaring. Het is niet het product van iemands mening, ook al was hij de grootste rechtsgeleerde. In de beginperiode van de Islām was de Sharī`ah nog niet volledig gecodificeerd in de vorm van onderdelen en systematisch op schrift gezet, en nog niet alle Hadīths waren verzameld. Het tijdperk van de verzameling van Hadīth kwam pas later. Het was om die reden aannemelijk dat een Imām zich niet van alle Hadīths met betrekking tot een specifiek onderwerp bewust was. Hij vaardigde zijn fatwa uit op grond van alle beschikbare Qur’ānische verzen en Hadīths. Wanneer hij echter later op de hoogte kwam van een authentieke Hadīth die zijn fatwa tegensprak, zou hij onmiddellijk zijn oordeel herzien en als de authenticiteit en andere relevante aspecten van de Hadīth werden bevestigd, zou hij zijn fatwa herroepen en een nieuwe fatwa uitvaardigen. Zo ook als een authentieke Hadith door de metgezellen van de Imām na zijn dood of in zijn afwezigheid opgemerkt werd, pasten zij hetzelfde proces van herziening toe en wijzigden vervolgens het oordeel van de Imām [indien nodig] in navolging van zijn bevel om dit te doen. Dus de uitspraak, “wanneer de Hadith authentiek is, dan is het mijn madhhab” en soortgelijke andere uitspraken toegeschreven aan de 4 Imāms, werd toegepast tijdens het tijdperk van ijtihād, toen het proces van formulering, codificatie en systematisering van de Sharī`ah plaatsvond. De autoriteiten van de Sharī`ah, namelijk de rechtsgeleerden van de ijtihād aan wie de richtlijn was uitgevaardigd door de Imāms van de madhhabs, hadden al uitdrukking gegeven aan de opvolging van dit bevel. Dus deze uitspraken hebben hun praktische nut overleefd en zijn niet langer van toepassing om de eenvoudige reden dat alle authentieke Hadīths eeuwen geleden al zijn samengesteld. Enige herziening die gedaan moest worden, werd eeuwen geleden al afgemaakt. De uitspraken van de Imāms hebben in dit opzicht alleen nog historisch belang en kunnen niet langer praktische toepast worden. Het is daadwerkelijk belachelijk om klakkeloos aan te nemen dat eeuwen lang eventuele vergissingen van de vier Imāms onontdekt gebleven zijn en dat het aan een man van deze tijd als Sheikh al-Albānī [of één van de andere selefī geleerden uit de moderne tijd] is om deze “fouten” te verbeteren.


Intelligentie


Hoewel de massa het aan hogere Islāmitische kennis ontbreekt, bezit zij een bepaalde mate van natuurlijke intelligentie waarmee zij de waarheid kan herkennen. Het vermogen om tussen waarheid en valsheid een onderscheid te maken is bij de Moslim aangeboren. Hij hoeft alleen maar oprecht en onbevooroordeeld te zijn wanneer hij adviezen hoort. Hij zal dan met de hulp van Allāh (Hoog en verheven is Hij!) op de weg van leiding terechtkomen. Het zou niet moeilijk moeten zijn voor een onbevooroordeelde Moslim om te begrijpen dat het niet mogelijk was geweest voor duizenden en duizenden juristen en geleerden om eeuwenlang de Imāms van de vier madhhabs te volgen, indien zij fout waren geweest. Als taqlīd in strijd zou zijn met de Qur’ān en Sunnah, hoe kan het dan dat een dergelijk grote hoeveelheid geleerden en juristen dit concept al deze eeuwen in stand hebben gehouden? Is het mogelijk dat de hele Ummah zich in het duister bevond na de vroege eeuwen van Goedheid, en dat de aanklacht tegen taqlīd in navolging van de vier Imāms gemaakt door een hedendaags persoon als Sheikh al-Albānī [en andere selefī geleerden uit de moderne tijd], gerechtvaardigd is? Heeft de hoeveelheid aan rechtsgeleerden die leefden in het vroege tijdperk van de Islām gelijk of is de moderne selefī sekte van onze tijd correct? Raadpleeg uw verstand met oprechtheid en u zult niet falen om het licht van leiding te zien.

De Vier Imāms



De selefī sekte maakt een grote show van hun zogenaamde volgen van de salaf al-salihūn. Uit nader onderzoek zal ontdekt worden dat, terwijl ze zichzelf selefīs noemen, zij niet de ware volgelingen van de salaf al-salihūn zijn. Ook volgens hun eigen begrip van de salaf betrekken zij de geleerden en juristen van de nobelste periodes, die volgens de Boodschapper van Allāh (Allāh zegene hem en geve hem vrede) de periodes van de sahābah, de tābi`ūn en de tāb al-tābi`ūn waren. Op dit vlak is er consensus. Als deze selefīs echte liefde voor de salaf al-salihūn koesteren zoals ze in hun toespraken aan het publiek zonder achterdocht vurig beweren, waarom veroordelen ze dan de taqlīd van de salaf al-salihūn? Als zij de salaf al-salihūn eren en liefhebben waarom geven ze dan onpasselijke bijnamen aan die Moslims die de salaf al-salihūn volgen? Opgemerkt moet worden dat alle Imāms van de ijtihād tot de eerste drie glorierijke perioden van de Islām de behoorden. Zij behoren tot de salaf al-salihūn. Sheikh Ibn Taymiyya en Imām Ibn Qayyim behoren niet tot de

salaf al-salihūn, terwijl zij in feite de historische Imāms zijn die de selefī sekte voornamelijk [pogen te] volgen.

De volgende geboortedata van deze persoonlijkheden zullen aangeven wie de salaf nu eigenlijk zijn:



80 Hijrī - Imām Abū Hanīfa

94 Hijrī - Imām Mālik

150 Hijrī - Imām Shafi`ī

164 Hijrī - Imām Ahmad ibn Hanbal



Alle vier beroemde Imāms van de madhhabs behoorden tot het eerste nobele tijdperk van de Islām en om die reden behoren zij allen tot de salaf al-salihūn aan wie gehoorzaamheid is bevolen in de Qur’ān en de Hadīth. Sheikh Ibn Taymiyya werd echter geboren in 661 Hijrī terwijl Imām Ibn Qayyim in 691 Hijrī werd geboren, zes eeuwen nadat Imām Abū Hanīfa werd geboren. Dus worden deze twee historische Imāms, waar de selefī sekte zich voornamelijk op beroepen, door zes eeuwen gescheiden van het tijdperk van de salaf al-salihūn. Ondanks deze grote kloof tussen de salaf al-salihūn en deze twee Imāms, worden de geschriften van deze twee Imāms zeer actief door de selefī sekte verspreidt. En terwijl zij iedere mening van hun eigen hedendaagse [en enkele historische] Imāms verheerlijken, hebben deze selefīs boekdelen vol kritiek tegen de volgelingen van de Imāms van de ijtihād, die de ware salaf al-salihūn waren en aan wie navolging door de Ummah een Qur’ānisch bevel is. Allāh (Hoog en Verheven is Hij!) beveelt in de Qur’ān:



“Oh jullie gelovigen! Gehoorzaamt Allāh en gehoorzaamt de Boodschapper en degenen onder jullie die met gezag bekleed zijn.”

(Qur’ān, Sūrat al-Nisā 4:59)


“Degenen onder jullie die met gezag bekleed zijn” genoemd in dit vers van de Qur’ān zijn de sahābah, de tābi`ūn en de tāb al-tābi`ūn. Dit zijn de drie roemrijke groepen van de Sunnah, uitgekozen voor gehoorzaamheid door de Boodschapper van Allāh (Allāh zegene hem en geve hem vrede). Daarom zei hij:
“Het beste tijdperk is mijn tijdperk, daarna het volgende tijdperk en dan het tijdperk daarop.”

(Muslim, Sahīh: 31:6159)


Dit zijn de perioden van de sahābah, de tābi`ūn en de tāb al-tābi`ūn. Dit zijn de eeuwen van de salaf die zelfs door de modernistische selefī sekte geaccepteerd worden. In de edele Qur’ān, zegt Allāh verlichtend over de salaf al-salihūn:


“De allereerste [Moslims] van de Muhājirīn en de Ansār en degenen die hen volgden in goede daden:
Allāh heeft welbehagen aan hen en zij hebben welbehagen aan Hem.”

(Qur’ān, Sūrat al-Tawbah 9:100)



Allāh (Hoog en Verheven is Hij!) uit zijn tevredenheid met betrekking tot deze salaf al-salihūn terwijl de selefīs van vandaag de dag het gepast achten om de Ummah te veroordelen en hen als “blinde volgelingen” te brandmerken vanwege hun taqlīd van de salaf al-salihūn.



Wie zijn de Volgelingen van de Salaf?


In de poging om taqlīd van de salaf zwart te maken, neemt de selefī sekte zijn invalshoek over van Sheikh Ibn Taymiyya en hoofdzakelijk van Imām Ibn Qayyim, de student van Sheikh Ibn Taymiyya, die beiden niet behoorden tot de salaf al-salihūn. Terwijl de selefīs Imām Ibn Qayyim ongeremd blind volgen, hebben zij de grove onbeschoftheid om diegenen die de salaf al-salihūn, de Imāms van de ijtihād volgen te belasteren. Iedere onbevooroordeelde Moslim kan voor zichzelf oordelen en vaststellen wie de ware volgelingen van de salaf zijn. Zijn dit de muqallids die de Imāms van de ijtihād volgen, of zijn het diegenen die [enkel] Sheikh Ibn Taymiyya en Imām Ibn Qayyim [en selefī geleerden uit de afgelopen twee eeuwen] volgen? Terwijl de Sharī`a het volgen van de salaf al-salihūn oplegt, is er geen bevel om Sheikh Ibn Taimiyya en Imām Ibn Qayyim [of de hedendaagse selefī geleerden] te volgen. Het is inderdaad zeer opmerkelijk dat de selefīs geen lasterlijke bijnamen hebben voor diegenen die deze twee geleerden volgen, en wel voor de Ummah die de salaf al-salihūn volgen. Nu hebben wij in dit artikel slechts één aspect behandeld van de vele beweringen gedaan door deze afwijkende sekte die zichzelf de salafiyyah noemt. Dit aspect is hun misinterpretatie van de uitspraak van de Imāms:



“Als de hadith authentiek is, dan is het mijn Madhhab.”