PDA

Bekijk Volledige Versie : Drie jonge 'nieuwe Belgen': 'De koran leert ons respect voor andersdenkenden'



Marsipulami
30-10-03, 23:13
'De koran leert ons respect voor andersdenkenden'

Drie jonge 'nieuwe Belgen' spreken voluit over hun leven tussen twee culturen

In 1991 belandde een groot Pakistaans gezin in Hasselt: vader en moeder Ahmad en hun zes kinderen (een jaar later werd het jongste dochtertje geboren). Zij ontvluchtten hun geboortestreek in het Pakistaanse Peshawar, dicht bij de Afghaanse grens.

Zij waren afkomstig uit de Ahmadija-minderheidsstroming binnen de Islam die niet getolereerd wordt door de meerderheid. Ahmadija's zijn er het slachtoffer van velerlei plagerijen, soms worden hun gebedshuizen vernield en zij die hun geloof actief belijden, riskeren er een jarenlange gevangenisstraf. Zoals zovele van haar geloofsgenoten zocht de familie Ahmad in Europa een veilige haven om volgens haar eigen overtuiging God te kunnen dienen.In Hasselt konden zij rekenen op een gastvrij onthaal. Zonder veel moeilijkheden werd hen het vluchtelingenstatuut toegekend. In de jaren daarop verwierven zij de Belgische nationaliteit. Ondertussen zijn we tien jaar verder. De oudste dochters zijn uitgegroeid tot flinke jonge vrouwen die uitermate vlot Nederlands spreken met een amusante lichte Limburgse tongval. Ter gelegenheid van de beŽindiging van hun middelbare studies zochten we Rawaha en Mubashra op en vroegen hen naar hun ervaringen en verwachtingen als jonge 'nieuwe Belgen'. In hun enthousiaste verhalen hebben wij ook de bijdragen verwerkt van de zeventienjarige Sumara die waardevolle aanvullingen gaf bij de getuigenissen van haar oudere zussen.

Ik zou in de tijd terug willen gaan naar het jaar van jullie aankomst in Hasselt, nu precies tien jaar geleden. Herinneren jullie zich daar nog iets van?

We zijn einde september, begin oktober 1991 in Hasselt beland, waar we eerst bij een nonkel woonden en vervolgens een huis huurden in de Plantenstraat. Toen we hier arriveerden waren de scholen reeds een maand van start gegaan en wij liepen een beetje verloren op straat. Op een zeker moment werden we aangesproken door een zuster, maar we verstonden haar niet. Ze is met ons meegekomen naar huis en heeft met onze ouders gepraat. Zij zorgde er ook voor dat we werden ingeschreven in de plaatselijke H. Hart-school. De eerste dagen zijn we met onze Pakistaanse kleren naar school gegaan. We kwamen in de tweede klas terecht maar kregen de lessen van het eerste studiejaar. Zo leerden we allerlei woordjes aan. Op het einde van het schooljaar kenden we genoeg Nederlands om terug aan te sluiten bij de leerstof van het tweede studiejaar. 's Avonds hielp de zuster ons bij het maken van het huiswerk. Ik weet ook nog dat mama ons chapatti's (ronde pannenkoekachtige broden) meegaf om tijdens de middag te eten. De andere kinderen vonden dat heel speciaal en wilden ervan proeven .

Ik herinner me niet zo veel van mijn kindertijd in Pakistan. Eerst gingen we in de stad naar school en moesten we schooluniformen dragen. Maar toen had een onderwijzer mijn zus stokslagen gegeven omdat ze een blad uit haar kladschrift gescheurd had. Mijn moeder was daar verontwaardigd over en stuurde ons daarom naar de plaatselijke dorpsschool. Voor ons was dat tamelijk ver lopen. Ik zat toen in het eerste studiejaar waar alleen maar het Arabisch alfabet aangeleerd werd. De school was trouwens erg onregelmatig open. Als het geregend had waren de straten zo modderig dat je niet tot aan het schoolgebouw geraakte. Op zo'n dagen kwamen de leerkrachten trouwens niet opdagen. Dan bleven we gewoon thuis. 'Thuis' betekende in het grote huis van mijn grootouders waar we samen met de families van papa's broers woonden. Alleen de oudste nonkel had een eigen huis en woonde apart met zijn gezin. Grootvader was en is nog altijd dorpsdokter die steeds de handen vol heeft met zijn patiŽnten. Wij woonden dus met vijf of zes gezinnen samen in hetzelfde huis. De vrouwen kregen elk een taak toebedeeld: grootmoeder bakte het brood, mama kookte het eten, weer anderen poetsten het huis, enzovoort. Wij hadden allemaal aparte woonvertrekken die gebouwd waren rond een grote binnenkoer. Vlakbij lag er ook een bosje dat dienst deed als WC, want echte toiletten hadden we niet. We bezaten ook een grote boomgaard waar we zomaar appelsienen en citroenen en zelfs bananen konden plukken. Fris water haalden we uit een eigen waterput.

Toen we naar BelgiŽ vluchtten, viel dat familieverband voor een groot deel weg. Vooral mama leed daar veel onder. Zij zat een groot deel van de dag alleen in huis. De kinderen gingen immers naar school en papa was dikwijls op zoek naar werk. Gelukkig leerden we dan de zusters kennen die regelmatig binnensprongen om met mama een babbeltje te slaan. In '92 werd ook ons jongste zusje Fatma Marjam geboren. Zelf hebben we altijd heel rap vriendinnetjes kunnen maken, ook in de lagere school. Zij vonden het meestal leuk om bij ons Pakistaanse kleren te komen passen. Ik herinner me nog dat ik op een keer nieuwe, beigekleurige kleren gekregen had en dat mijn beste vriendin die heel mooi vond. Na overleg met mama heb ik haar dat pakje cadeau gedaan.

Ik zou nooit voorgoed terug willen naar Pakistan. Hier voel ik me gelukkig omdat ik vrij kan zijn. Hier kan ik op eigen initiatief met mijn vriendinnen naar de stad gaan of eens naar de film. Of als je naar school gaat: hup ... de bus op en weg. 't Is allemaal zoveel simpeler dan in Pakistan waar je steeds begeleid moet zijn door een mannelijk familielid. Er zijn bepaalde mannen die anders niet van je kunnen afblijven. Je hebt hier ook een leven buitenshuis. En natuurlijk vind ik godsdienstvrijheid heel belangrijk: iedereen moet vrij zijn om op zijn manier gelovig te zijn.

Omwille van dat gebrek aan godsdienstvrijheid zijn jullie ouders ook als vluchtelingen naar BelgiŽ gekomen. Kun je iets meer vertellen over jullie godsdienst?

Wij zijn inderdaad Ahmadija-Moslims, een religieuze minderheid die -net als de christenen trouwens- door de meerderheid van de bevolking in Pakistan als minderwaardig wordt beschouwd en op allerlei manieren gediscrimineerd. Op christenen wordt bijvoorbeeld neergekeken en zij mogen alleen het vuile werk verrichten: straten reinigen en toiletten schoonmaken. Khybar pass in Noord Pakistan Ahmadija's hebben een eigen spreuk 'haat voor niemand en liefde voor iedereen'. De Koran heeft ons geleerd dat we respect moeten hebben voor andersdenkenden, in de eerste plaats voor de gelovigen van Het Boek, joden en christenen dus. Dat respect nemen we heel serieus.

Toch vinden we wel dat de westerse media over het algemeen een verkeerd beeld ophangen van de islam als zijnde een haatdragende of vechtlustige godsdienst. Er bestaat inderdaad een klein groepje fanaten die met geweld hun visie willen opdringen, maar het is verkeerd om hun acties voortdurend in de schijnwerper te plaatsen en de goede kanten van de islam buiten beschouwing te laten. Goed nieuws is niet pikant genoeg en dat krijgen de mensen hier dan ook niet te zien. Enkel de slechte kanten hebben nieuwswaarde en die onthouden de mensen dan ook en dŠt bepaalt hun beeld van de islam.

Moslim zijn beschouwen jullie als een ernstige zaak: niet alleen in woorden, maar ook in daden. Kun je daar wat meer over vertellen ?

Wij zijn moslims en daarom houden wij ons aan de geboden van de islam. Belangrijk is het gebod om vijf keer per dag te bidden. Daar proberen we ons onder alle omstandigheden aan te houden. Niet bidden omwille van wat genoemd wordt 'het menselijk opzicht' -wat zal de omgeving over ons denken?- proberen we zo veel mogelijk te vermijden. Meestal bidden we apart maar tijdens de islamitische vasten -de ramadan- proberen we zoveel we kunnen samen te bidden. Mama heeft, ons ook Arabisch leren lezen, want -zoals straks gezegd is- de Koran is in het Arabisch geschreven. De belangrijkste taal in Pakistan is het Urdu waarvan het schrift gelijkenis vertoont met het Arabisch, zodat het leren lezen niet hťťl veel problemen oplevert. Het begrijpen van het Arabisch is iets anders. Momenteel zijn we bezig een aantal centrale Arabische begrippen te leren verstaan, maar gelukkig kunnen we teruggrijpen naar de vertalingen die onze geloofsgemeenschap van de Koran gemaakt heeft.

Eťn keer per maand komen we 's zaterdags met alle Ahmadija-vrouwen -en meisjes van Hasselt samen in onze pas geopende moskee in Kuringen. We luisteren dan naar teksten die uit de Koran worden voorgelezen of naar religieuze liederen die ťťn van de aanwezigen voorzingt. Eťn keer per jaar wonen we ook de 'djelsa' bij in onze grote moskee in Brussel. Dat is een driedaagse religieuze bijeenkomst van alle Ahmadija-gelovigen in BelgiŽ waarbij ook Belgen uitgenodigd worden die vragen willen stellen over onze godsdienst. Als het maar enigszins mogelijk is, blijven we de drie volle dagen. Daar heerst echt een fijne sfeer met mensen die je allemaal kent en dan terugziet. Het is vooral de sfeer van het samenzijn die me aanspreekt. De jaarlijkse islamitische vastenperiode is ook iets speciaal. Elke dag staan we dan 's morgens vroeg op, iedereen bidt eerst apart en daarna wordt er gezamenlijk gegeten. Na het eten gaan we samen met papa bidden en worden er teksten uit de Koran gelezen. Overdag kijken we dan dikwijls naar islamitische tv-programma's die in deze periode helemaal in het teken van de ramadan staan. Het is echt een heel fijne tijd: net alsof het elke dag feest is. Je kunt dat moeilijk uitleggen aan anderen, je moet dat zelf meemaken.

Marsipulami
30-10-03, 23:14
Naargelang van de Moslimgemeenschap waartoe je behoort, beginnen de kinderen vanaf 8, 12 of 13 jaar mee te vasten. Sommigen vasten elke dag zoals de volwassenen, anderen alleen tijdens de weekends. Op school werden we daarover dikwijls aangesproken: "Moogt ge niet eten, en ook niet drinken en vindt ge dat niet erg ?" Soms durfden de andere kinderen op de speelplaats niets te eten omdat ze bang waren dat wij dan ook goesting zouden krijgen. Tijdens het middageten van de anderen, zonderden wij ons af om onze gebeden te doen. We zijn daarvoor nooit geplaagd of uitgelachen geworden. Men was eerder nieuwsgierig naar ons. En ze vonden het speciaal dat wij dat nog deden, omdat de meesten onder hen niet meer echt geloofden!

Als nieuwe Belgen van Pakistaanse afkomst die bovendien hun godsdienstige overtuigingen niet onder stoelen of banken steken, loop je toch wel wat in de kijker. Nooit last gehad van vijandige of racistische opmerkingen?

Natuurlijk hebben we het al wel meegemaakt dat mensen ons omwille van onze donkere huid, de hoofddoek die we dragen en wat weet ik meer, scheef aankeken. Minder op school. In het basisonderwijs is er nooit een probleem geweest. Jonge kinderen spelen met elkaar zonder naar uiterlijkheden te kijken. Alleen tijdens het eerste jaar van het middelbare onderwijs, als de kinderen het basisonderwijs verlaten, werden we wel eens voor 'bruine apen' uitgescholden. Maar dat heeft niet lang geduurd. Men wordt je gewoon en met de jaren wordt iedereen ook volwassener van geest.

Het zijn vooral oudere mensen, vrouwen in de eerste plaats, die je op straat of in de bus wel eens blijven aanstaren en waarvan je denkt: wat wil die nu eigenlijk van mij? Ik denk dat ze daarmee willen aangeven dat je hier niet gewenst bent: wat kom je hier zoeken?, of zoiets. Maar dat geldt helemaal niet voor de jeugd. Die zijn het gewoon om samen te leven met mensen van buitenlandse afkomst. Trouwens samen met Turken, Marokkanen en andere nationaliteiten vormen we zo'n grote groep dat we niet meer opvallen in het straatbeeld. Ik sprak net over de vijandigheid van vooral oude mensen. Dat moet je natuurlijk niet veralgemenen. In onze buurt in Kuringen spreken we de oudere mensen aan als nonkel Gaston, oma Yvonne of opa Jan. Ons jongste zusje Fatma Marjam springt regelmatig bij hen binnen om wat te kletsen. Over haar belevenissen op school en zo, die ze eerst tegen ons verteld heeft maar waar wij, als grote zussen, slechts met een half oor naar luisteren. Bij onze buren vindt ze een veel bereidwilliger oor en dus doet ze daar haar verhalen nog eens over.

Racisme kan vermeden worden als beide betrokken partijen hun steentje bijdragen. Wat onze kant betreft, denk ik, moeten we proberen ons aan te passen, ons niet 'anders' of zeker niet als 'beter' voor te doen. Maar je blijft natuurlijk altijd tussen twee culturen hangen. In feite moet je twee persoonlijkheden hebben: ťťn voor thuis en een ander voor buitenshuis. Buiten dragen we bijvoorbeeld altijd westerse kledij, maar binnen Pakistaanse. Als we ons in de buitenwereld Pakistaans zouden kleden, dan vallen we op, dan trekken we de aandacht en dat is niet goed. Een ander voorbeeld is het taalgebruik. Buiten spreken we altijd Nederlands, binnen met onze ouders Pakistaans. Maar ons Pakistaans is ook niet meer zuiver. Het is Pakistaans met allerlei Nederlandse en Engelse woorden ertussen. Dat maakt het ook weer moeilijk. Als we iets tegen onze ouders willen uitleggen kunnen we dat niet meer goed in het Pakistaans, terwijl zij dan weer onvoldoende Nederlands begrijpen. We gebruiken dan zo'n mengtaaltje.

Nog een voorbeeld van onze aanpassingswil: op school heb ik altijd de katholieke godsdienstlessen bijgewoond. En ik heb daar heel wat van bijgeleerd. Veel van die lessen gingen immers over algemene levenswijsheid, over hoe je best conflicten kunt oplossen bijvoorbeeld. Ik zou het niet zo fijn gevonden hebben als je tijdens de godsdienstles apart had moeten gaan zitten, ieder bij zijn eigen godsdienst, zoals in het gemeenschapsonderwijs. Over mijn eigen godsdienst kan ik genoeg leren van mijn ouders thuis en in de moskee. Op deze manier leer je respect en ook interesse opbrengen voor elkaars overtuigingen. Ik herinner me nog dat ik tijdens een les iets mocht vertellen over mijn eigen godsdienst en dat mijn klasgenoten een uur lang daarop zijn doorgegaan: wat onze opvattingen zijn over sex voor het huwelijk, wat als ik verliefd zou worden op een Vlaamse jongen, wat mijn ouders daarvan zouden vinden, enzovoort.

In mijn denken en mentaliteit voel ik de botsing tussen de twee culturen veel minder. Ik denk en voel zoals de meeste Vlaamse jongeren denken en voelen. Soms ontstaan er dan wel conflicten thuis als mijn mama over bepaalde dingen andere



opvattingen heeft. Gelukkig is ons gezin open genoeg om daarover te praten en het niet tot een kortsluiting te laten komen. Maar met mijn Belgische vriendin zit ik meestal op dezelfde golflengte. Niet wat de godsdienst betreft natuurlijk. Maar als ik daarover uitleg geef, is zij bereid daarnaar te luisteren. Dat vereist wel dat je aandacht hebt voor die zaken en er moeite voor doet. Als zij bij mij op bezoek komt, zal ik bijvoorbeeld Engelse muziek draaien, die ik trouwens heel mooi vind, maar ik hou evenzeer van Pakistaanse en Indische muziek. Regelmatig maken we samen uitstapjes: eens shoppen in Genk of naar de film. Dat is hier allemaal geen probleem. Deze week is ze nog twee keer bij ons blijven overnachten en tot lang na middernacht hebben we liggen te kletsen over de dingen des levens: relaties met jongens, trouwen, kinderen krijgen ...

Een vraagje ter afsluiting: wat voelen jullie bij het beŽindigen van je middelbare studies ?

We hebben daarbij gemengde gevoelens. Enerzijds een beetje spijt dat het voorbij is. We zullen onze klasgenoten waarmee we jarenlang dagelijks zijn opgetrokken niet meer of tenminste niet meer zo vaak terugzien. Anderzijds zijn we ook blij dat we kunnen verder studeren.

SUMARA (17 jaar, nog niet afgestudeerd): Ik voel me nog heel jong. Ik wil genieten van het leven dat voor me ligt. Verloven of trouwen ... dat is momenteel niet aan me besteed. Voorlopig zie ik dat eigenlijk helemaal niet zitten.We zullen wel zien wat de toekomst ons zal brengen.

MUBASHRA: Ik hoop in de eerste plaats dat het me zal lukken om verder te studeren. Ik heb me reeds ingeschreven voor het graduaat chemie aan de Katholieke Hogeschool Limburg. Later wil ik vooral gelukkig leven. Gewoon kunnen genieten zonder al te veel zorgen of problemen. Een vrij leven ook dat ik kan leiden volgens eigen inzichten.

RAWAHA: Ik heb pas het ingangsexamen voor geneeskunde aan het Limburgs Universitair Centrum in Diepenbeek afgelegd. Ik zou dolgraag dokter willen worden. Na mijn studies zou ik dan een paar jaar in een ontwikkelingsland willen gaan werken. Misschien in Pakistan, maar dat maakt eigenlijk niet uit. Ik zou naar een land willen gaan waar ik echt nodig ben. Misschien binnen het kader van Artsen Zonder Grenzen. We zullen wel zien. Ik weet immers niet of ik het wel zal aankunnen. Eerst maar hopen dat ik door het ingangsexamen kom.

Gerda Lenders en Roger Jacobs


http://users.pandora.be/spaanders/september_2001/september_2001.htm#koran