Dit steuncomité lost helemaal niets op.

Wat moet de doelgroep, gelovige moslims, met Cisca Dresselhuys en Geert Wilders?

De oprichting van het Comité voor ex-moslims markeert een nieuwe misstap in het toch al onhandige streven naar integratie van de islamitische minderheid in ons land, betoogt J.A.A. van Doorn .

Naar algemeen wordt aangenomen woedt er momenteel een levendige publieke discussie over plaats en toekomst van de moslims in ons land. Die veronderstelling berust op een misverstand. Voorzover niet consequent op de man wordt gespeeld, bestaat het overgrote deel van de vele stukken in de dag- en weekbladen uit loze beweringen, bewust vrees aanjagende fantasieën en voor moslims kwetsende taal. Het één versterkt continu het ander zodat nuchtere en zakelijke tegenspraak bij voorbaat kansloos is. Als Nederland ooit een vitale debatcultuur heeft gekend, dan is daar dezer dagen niets van te merken.
Dat is een hoogst ongelukkige en in feite riskante situatie. Indien het in onze moderne geschiedenis nodig was ons als Nederlanders ernstig te beraden over een nijpend nationaal probleem, dan wel vandaag de dag. Dat probleem is iedereen bekend en het leeft in brede kring: hoe kunnen we erin slagen de massa vreemdelingen die zich in ons midden heeft gevestigd, op een vreedzame manier in ons politieke, maatschappelijke en culturele bestel te integreren? Meer in het bijzonder: hoe moeten we als. grotendeels geseculariseerd land omgaan met de ons volledig vreemde godsdienst die de identiteit van onze nieuwe medeburgers zozeer bepaalt?
Deze twee kernvragen worden zelden gesteld. In plaats daarvan poneert men eenvoudig dat de nieuwkomers volledig moeten assimileren, een doel dat men meent te kunnen bereiken door de islam in het algemeen en de gelovige moslims in het bijzonder dagelijks te bruuskeren. Moslims die zich hierover opwinden heten onaangepast aan onze superieure cultuur waar hoon en haat over minderheden vrijelijk mogen worden geuit.
Mijn vraag is simpel: meent iemand serieus dat deze nu al jarenlang voortgezette antireligieuze hetze de noodzakelijke integratie van de moslims dichterbij heeft gebracht? Werkt ze niet gegarandeerd contraproductief?
In de ogen van de voornaamste woordvoerders van dit islamofobisch offensief is dit niet voldoende. Gisteren hebben ze zich in een comité verenigd: de complete groep afvallige moslims en hun sympathisanten die al jaren Hirsi Ali steunt; Wilders (en zijn aanhang in de VVD) als oprichter en woordvoerder van de enige partij in onze parlementaire geschiedenis die het vernederen, uitsluiten en - wie weet -verdrijven van een bevolkingsgroep uit onze samenleving tot enig doel heeft gekozen; de hoofdredacteur van Opinio, de wekelijkse oproep tot strijd tegen de islam; ten slotte enkele om hun afkeer van moslims bekende joodse Nederlanders alsmede de directeur van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël.
Op de lijst van 75 namen komt mogelijk één persoon - Nahed Selim - die gelovig moslim is. Alle anderen zijn Nederlandse niet-moslims of geheide anti-moslims. En zie nu de oogverblindende arrogantie: juist dit comité eist op hoge toon van 'islamitische organisaties in Nederland en de rest van Europa' (vooruit maar!) een verklaring dat iedereen vrij is om van religie te veranderen en 'geweld tegen intimidatie van afvalligen te veroordelen.'
Het zijn terechte vragen maar deze club is wel de laatste die ze mag stellen. De kernvraag komt opnieuw op: gelooft iemand nu werkelijk dat gelovige moslims -de doelgroep van het verzoek- bij het doornemen van deze lijst ook maar een moment zullen overwegen de voorstellen ernstig te nemen?
Nu staan er op de lijst ook een aantal respectabele intellectuelen die hun eigen verhaal hebben. Dat brengt mij tot mijn derde punt. Hun argumentatie luidt dat zij nu eenmaal tegenstanders zijn van elke beperking van de vrijheid om van religie te wisselen. Daar ben ik het mee eens en ieder weldenkend mens zal niet anders oordelen. Maar het ventileren van goede bedoelingen is in de politiek niet voldoende. Wie enigszins intelligent wil opereren dient na te gaan hoe die bedoelingen zullen worden ontvangen en verstaan. Anders gezegd: men dient niet uit te gaan van wat men zo graag zou willen zien of hebben- dat doen kinderen ook- maar men heeft de plicht rekening te houden met het effect van die wensen. Niet voortdrijven dus op louter mooie intenties - Gesinnungsethik in het jargon- maar zich bewust blijven van zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid: Verantwortungs-ethik. Precies op dit punt falen deze ondertekenaars.
Want dit is mijn volgende vraag: zijn deze ongetwijfeld goedwillende leden van het comité werkelijk van mening dat hun stem, per definitie kracht bijzettend aan de hetze van Wilders cum suis, door de moslimvoormannen anders en respectabel zal worden beoordeeld? Zien zij werkelijk niet in dat ze hier een fundamentele fout hebben gemaakt waardoor ze ook in de toekomst geen standpunt in deze materie kunnen innemen zonder onmiddellijk - en terecht- te worden gewezen op hun impliciete solidariteit met Wilders en de al veel oudere haatcampagnes van een aantal Nederlandse islamofoben?
Blijft als laatste het tot uitentreuren herhaald argument, dat het tegen critici van de islam uitgeoefende geweld zonder meer moet worden afgekeurd. Ook dat is moeilijk voor bestrijding vatbaar, al geldt hier dat de voornaamste critici, Theo van Gogh uitgezonderd, alleen al op grond van hun verleden als moslims en hun ervaringen in hun land van herkomst, donders goed wisten dat ze grof provocerend bezig waren. Ehsan Jami, de laatst van de rij provocateurs, heeft het in de Volkskrant van afgelopen zaterdag openlijk toegegeven: „Ik wist dat er dreigementen zouden komen, dat veel mensen zich tegen mij zouden afzetten. Ik had zelfs bedacht dat ik misschien ooit beveiligd moest worden". Welnu, hij heeft zijn zin, en dat hij nu „veel pijn" ondervindt, zal hem mogelijk volwassener maken. We leven in een tijd dat iedereen wordt aangesproken op zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. In de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat meende men vaak die verantwoordelijkheid te kunnen afschuiven op Vadertje Staat. Die gemakzuchtige houding wordt thans scherp afgewezen. Toch gedragen degenen die momenteel door eigen toedoen in moeilijkheden raken, zich precies als hun voorgangers: help, de overheid moet mij beschermen. Ik heb mijn eigen veiligheid op het spel gezet, en dus heb ik recht op staatshulp. Het wordt tijd dat deze helden onder ogen wordt gebracht dat zij hun eigen vijand zijn.

J. A. A. van Doom is emeritus-hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit.

Copyright: NRC Handelsblad 12 september 2007