De vrijheid van meningsuiting kan niet worden ingeperkt ten gunste van moslims die beledigd zijn door spotprenten – die ze ook nog eens geheel vrijwillig hebben gezien.
De Deense cartoons en de islamitische reacties daarop zorgen, net als in 1989 met Salman Rushdie, zijn Duivelsverzen en de fatwa, voor een waterscheiding tussen seculier en theocratisch. Ook de huidige situatie raakt de kern van de democratische rechtsstaat.

Wetten en regels bepalen de kaders waarin burgers zich bewegen. Wat hun daarbinnen niet bevalt, zullen zij letterlijk moeten verdragen. Dat is inderdaad niet prettig en veel recente publicaties getuigen van weinig compassie met de gevoelens van gekwetste moslims. Maar iedere (Nederlandse) moslim die zich gekwetst voelt, kan in woord en geschrift zijn vermeende kwetsers aanvallen. Hij kan naar de rechter stappen en in laatste instantie kan hij een aanpassing van de wet voorstellen die zijn kwetsen voortaan verbiedt. Uiteraard via een politieke partij die daarvoor een kamermeerderheid aan haar zijde krijgt.

De route van de wet loopt voor blasfemie in een democratische rechtsstaat meestal dood. Minister Donner zag zijn poging stranden om artikel 137 Strafrecht van zijn grootvader, dat smadelijke godslastering verbiedt, te revitaliseren.

Zeer recent kreeg de eveneens christelijke Britse premier Blair een vergelijkbaar wetsvoorstel niet ongeschonden door het parlement. De wet gaat immers uit van objectieve criteria, en gevoelens van sommige burgers – niet alle burgers die tot een bepaalde religieuze stroming behoren, voelen zich tenslotte gekwetst– zijn dat niet.

Er is dan ook geen sprake van een ’culturele kloof tussen het Westen en de islamitische wereld’, zoals Mohamed Ajouaou zaterdag in deze krant in zijn nuchtere en zakelijke beschouwing stelde. Wel is er een kloof tussen een seculiere cultuur en een rigide vorm van religie die ook binnen het christendom en jodendom te vinden is. Zij het niet altijd in dezelfde getalsverhouding.

De moslimprotesten gaan overigens zelden over dingen waarmee gelovigen ongewild worden geconfronteerd. Je moet zo’n krant kopen met Mohammed-cartoons. Je moest de VPRO aanzetten om de film ’Submission 1’ te zien. Een exemplaar van ’De Duivelsverzen’ moet je zelfs integraal lezen. Het is dus gekwetstheid-op-afstand. Louter de informatie over het bestaan van een kwetsend product is kennelijk genoeg voor de agressie. Niet erg oprecht, zoals ook Fadoua Bouali constateerde (Podium, 7 februari).

Het is dan ook een hoogst alarmerende oproep om de vrijheid van meningsuiting te beperken ten faveure van de beledigden. Onlangs het meest puntig geformuleerd door de Turkse premier Erdogan, een pragmatische islamist: ’Er moet een grens zijn aan persvrijheid!’

Zo’n pleidooi is vooral discutabel doordat Erdogan en anderen die grens alleen willen stellen als het om religie gaat. Democratische wetten zijn in hun ogen aardig, net als de scheiding tussen kerk en staat, maar ze kunnen vanzelfsprekend nooit het gedrag van gelovigen belemmeren en evenmin toelaten dat die in hun gevoelens worden gekwetst.

Deze redenering staat even haaks op de beginselen en praktijken van de democratische rechtsstaat als het geraas en gebral van moslims die van hun land (Engeland bijvoorbeeld) een islamitische staat onder de sjaria willen maken.

Democratische regeringen zouden dit aan moslims in binnen- en buitenland moeten uitleggen. Aan buitenlandse dat uitingen als de Deense cartoons en ’De Duivelsverzen’ binnen het wettelijke kader van de vrijheid van meningsuiting vallen. Voor binnenlandse zouden zij hieraan kunnen toevoegen dat zij anders dan in hun landen van herkomst als islamieten een democratische en demografische minderheid vormen. Een van de diverse godsdiensten in een land met bovendien veel ongelovigen.

Blijf uitleggen. Maar zwicht niet voor moslimintolerantie. ’Dan dooft het licht’, zoals H. M. van Randwijk tot op de huidige dag op het Amsterdamse Weteringplantsoen betoogt.

August Hans den Boef is docent media en informatiemanagement aan de Hogeschool van Amsterdam.