Godsdienst moet zijn plaats kennen:
godsdienst bepaalt niet wat is (in het domein van feiten), en godsdienst bepaalt niet wat hoort (in het domein van waarden en normen).

Wanneer godsdienst zijn plaats niet kent - wanneer hij meent dat hij wel bepaalt wat is en wat hoort - wordt godsdienst gevaarlijk.

Dat geldt met name voor de joods-christelijk-mohammedaanse godsdienst, omdat die in alle drie de varianten intolerant is.
(Natuurlijk kunnen gelovigen water bij de wijn doen - zij hoeven niet intolerant te zijn).

Godsdienst moet daarom tegengegaan worden zolang hij zijn plaats niet kent. Dat is de taak van de rede, die antwoord geeft op de vraag "waarom?".